De meest courante manier om tijdsbudgetgegevens voor te stellen, is door gebruik te maken van drie parameters:
De gegeven tijdsperiode is telkens een registratiedag (24u).
Deze drie parameters zijn niet onafhankelijk van elkaar.
De duur per respondent is het product van de duur per participant en de participatiegraad (percentage uitgedrukt als een getal tussen 0 en 1):
Een voorbeeld kan de interpretatie van deze parameters verduidelijken.
Op een maandag besteden de deelnemers aan het onderzoek gemiddeld 2u26' aan de activiteit 'werk' (= duur per respondent).
Niet alle deelnemers aan het onderzoek hebben echter gewerkt op de weekdagen dat ze hun dagboekjes bijhielden. 33,5% van hen heeft effectief een arbeidsactiviteit gesteld op de geregistreerde weekdagen (= participatiegraad).
De respondenten die effectief gewerkt hebben op de geregistreerde weekdagen, besteden gemiddeld 7u16' aan de activiteit 'arbeid' op een weekdag (= duur per participant).
Deze regel gaat op voor zover men de parameters bekijkt voor de registratiedagen (van maandag tot zondag) afzonderlijk, maar gaat niet op voor de geconstrueerde gemiddelde weekdag en weekenddag omdat we enkel beschikken over de registratie van één bepaalde weekdag en één bepaalde weekenddag per respondent. De paramaters die gegeven worden voor de gemiddelde weekdag en de gemiddelde weekenddag zijn dus schattingen rekeninghoudend met het aantal respondenten dat een bepaalde dag heeft ingevuld voor respectievelijk de maandag tot de vrijdag voor de gemiddelde weekdag en voor de zaterdag en de zondag voor de gemiddelde weekenddag. Door middel van een wegingsprocedure werd de afwijking in de relatie tussen de duur per respondent, de participatiegraad en de duur per participant tot een minimum beperkt.